geen heelmeester

soms kapt een bos zichzelf
en het wacht tot de bliksem
het inferno start
dat vanaf de maan te zien is
vanuit de rivier niet te blussen is
vanuit de kilte nog wat warmte biedt
tot er niets dan as is
waar barre voeten blaren
warme handen kil lijken
waar oude ogen
slechts twinkelen van mededogen
want zij zien dit veld van wat was
als nieuwe grond vol vruchtbaar fruit
vol kleurvolle bloemen
vol nieuwe bomen voor klimgrage kinderen
er is geen fenix
geen nieuwjaarsgod
geen oude heelmeester

er is slechts hoop
dat schijnt op de eerste scheut
van de woudreus in wording
kom, laten we vast wat
dwalen

los

Ik laat je los
alsof ik mijn eigen oor
afsnij en daarmee niet langer hoor
hoe de vogels in het bos

Maar ze zullen weer zingen

Ik laat je los
alsof ik daarmee mijn eigen hand
die mij leidt door mijn dwaalland
niet langer klem

Maar eens reik ik weer uit

En jij, een Godenkind
zeilt zonder vrees
naar het eiland overzees
zonder mijn stormende wind

En in rust
vind ik ook
de kust

Waarop wij samen zullen stranden
dromend, ooit weer in elkaars handen.

steen

het steentje, platter dan plat
zeilt zes, nee, zeven keer
pats, over het water

en trekt zeven cirkels tot de oever.

zo kan het ook
leven.

oorkussen

er is
soms

een kleine buiging
van een letter
uit een ongesproken ….

dan is er
soms

een hand
waarin iets ligt
dat lijkt op die letter

en soms
is er dan

de oerdrift
dat in een oor 
te kussen

soms

zoals gisteravond
in sommige ogen
in sommige oren

Die dag

Die dag, waarop de het weiland erbij lag
als een weiland, de koe
de koe bleef

En de Amstel kronkelde alsof zij altijd
zo kronkelt- en dat doe zij ook

Wilde ik gewoon met lege handen
thuiskomen.

Daar wilde dat jij erbij zou liggen
als jij, het bed
de hemel bleef

En al jij moest krioelend kreunen
zo alsof je dat altijd zo doet

En ik wilde dan gewoon in leegte
komen.

beul

Daar ligt ze, zwaar bewapend
met haar lichte lange vingers
die elke piano schuwt
met het donsje dat 's morgens
lente beloofd
maar meestal bindt ze schaatsen onder

Haar lange slanke voeten
klaar om weg te lopen
het prille van de dag, verscholen
in de wimpers die eenmaal uiteen
woest
aantrekkelijk blijven

Ook als ze spuwen
woordeloos mij de strop
om duwen.

Nu niet.
Nu niet.

Nooit niet.

De beul van de ochtend
slaat de dag doormidden
nog voor zij begon.

En de dwaas
met de waas van de hoop
stapt elke nacht weer
in het snijdende bed.

Het rode mes

Zij, met al dat rood
in haar lijf, haar
in haar ogen
bezit die kleur met wonderlijke
precisie

Als een mes snijdt zij de dagen
van de nacht en wacht op het bloeden
van een leeggelopen maan.

Daarin schuilt haar waarheid
ze weet als geen ander
-tenminste niet als mij, en ik
ben de enige ander-
het lyrische en het werkelijke
tot karmozijn te smeden.

Zij schrijft daar brieven over
aan zichzelf, en aan mij
de ander
zonder pen, zonder papier
maar met slechts een waas
van druppels over haar ogen.

Zo knikt zij keer op keer
onze wereld toe:
toe maar, lief, ga maar
zolang je mij vasthoud
is alles nog zo rood
als mijn eigen kleine
wonderkrullen.

Ik bezit, daarentegen
niets van die lyrische
rode dagen
noch nachten
waarin ik maar mijmer
over helemaal niets: mijn bezit.

Het rood kruipt langzaam
als een sluipmoordenaar
als een luis
als een god
als een muzikant die jambische
verzen uit een luit tovert.

Het kussen bloedt
het slapen bloedt
het ijzeren paard in de maan
staat stil te galopperen
en leert ons:
hoe roder de lyriek
hoe zwarter de nacht

Behalve voor haar:
de draagster van
al dat bloedmooie rood.

bestaan

ook mijn bestaan begon met bevallen en tot aan mijn laatste val zal ik wankelen op de grond is er nog niet in opstaan, verdergaan en ...