geen heelmeester
los
Ik laat je los
alsof ik mijn eigen oor
afsnij en daarmee niet langer hoor
hoe de vogels in het bos
Maar ze zullen weer zingen
Ik laat je los
alsof ik daarmee mijn eigen hand
die mij leidt door mijn dwaalland
niet langer klem
Maar eens reik ik weer uit
En jij, een Godenkind
zeilt zonder vrees
naar het eiland overzees
zonder mijn stormende wind
En in rust
vind ik ook
de kust
Waarop wij samen zullen stranden
dromend, ooit weer in elkaars handen.
steen
het steentje, platter dan plat
zeilt zes, nee, zeven keer
pats, over het water
en trekt zeven cirkels tot de oever.
zo kan het ook
leven.
oorkussen
er is
soms
een kleine buiging
van een letter
uit een ongesproken ….
dan is er
soms
een hand
waarin iets ligt
dat lijkt op die letter
en soms
is er dan
de oerdrift
dat in een oor
te kussen
soms
zoals gisteravond
in sommige ogen
in sommige oren
Die dag
Die dag, waarop de het weiland erbij lag
als een weiland, de koe
de koe bleef
En de Amstel kronkelde alsof zij altijd
zo kronkelt- en dat doe zij ook
Wilde ik gewoon met lege handen
thuiskomen.
Daar wilde dat jij erbij zou liggen
als jij, het bed
de hemel bleef
En al jij moest krioelend kreunen
zo alsof je dat altijd zo doet
En ik wilde dan gewoon in leegte
komen.
beul
Daar ligt ze, zwaar bewapend
met haar lichte lange vingers
die elke piano schuwt
met het donsje dat 's morgens
lente beloofd
maar meestal bindt ze schaatsen onder
Haar lange slanke voeten
klaar om weg te lopen
het prille van de dag, verscholen
in de wimpers die eenmaal uiteen
woest
aantrekkelijk blijven
Ook als ze spuwen
woordeloos mij de strop
om duwen.
Nu niet.
Nu niet.
Nooit niet.
De beul van de ochtend
slaat de dag doormidden
nog voor zij begon.
En de dwaas
met de waas van de hoop
stapt elke nacht weer
in het snijdende bed.
Het rode mes
Zij, met al dat rood
in haar lijf, haar
in haar ogen
bezit die kleur met wonderlijke
precisie
Als een mes snijdt zij de dagen
van de nacht en wacht op het bloeden
van een leeggelopen maan.
Daarin schuilt haar waarheid
ze weet als geen ander
-tenminste niet als mij, en ik
ben de enige ander-
het lyrische en het werkelijke
tot karmozijn te smeden.
Zij schrijft daar brieven over
aan zichzelf, en aan mij
de ander
zonder pen, zonder papier
maar met slechts een waas
van druppels over haar ogen.
Zo knikt zij keer op keer
onze wereld toe:
toe maar, lief, ga maar
zolang je mij vasthoud
is alles nog zo rood
als mijn eigen kleine
wonderkrullen.
Ik bezit, daarentegen
niets van die lyrische
rode dagen
noch nachten
waarin ik maar mijmer
over helemaal niets: mijn bezit.
Het rood kruipt langzaam
als een sluipmoordenaar
als een luis
als een god
als een muzikant die jambische
verzen uit een luit tovert.
Het kussen bloedt
het slapen bloedt
het ijzeren paard in de maan
staat stil te galopperen
en leert ons:
hoe roder de lyriek
hoe zwarter de nacht
Behalve voor haar:
de draagster van
al dat bloedmooie rood.
bestaan
ook mijn bestaan begon met bevallen en tot aan mijn laatste val zal ik wankelen op de grond is er nog niet in opstaan, verdergaan en ...
-
het regende zo hard -- -- -- - - - - ...
-
gun mij een kwast om mee te gooien natte verf op gescheurde doeken in het licht van Hubertus edelhert gun mij een sleets touw om natte na...
-
dag man, mijn vriend, mijn maat, mijn kameraad, vandaag staat boven jouw zand, het Buursezand de valk stil, hij bidt, hij hoopt op een ...